Prinsjesdag: kansengelijkheid in 2020

19 september 2019
Home > Nieuws > Landelijk > Prinsjesdag: kansengelijkheid in 2020

Op 17 september was het Prinsjesdag en heeft de minister van Financiën het koffertje met daarin de Miljoenennota en de Rijksbegroting aan de Tweede Kamer overhandigd. In 2020 worden maatregelen genomen om de kansengelijkheid te vergroten, door onder andere het verhogen van het aantal uren voorschoolse educatie dat kinderen met een risico op een onderwijsachterstand krijgen.

Daarnaast worden maatregelen genomen om het lerarentekort terug te dringen. De PO-Raad is teleurgesteld dat het kabinet in 2020 ondanks een begrotingsoverschot niets extra’s over heeft voor het primair onderwijs. Dit laat zien dat ze het lerarentekort, hét probleem waar het onderwijs voor staat, onvoldoende serieus neemt. De PO-Raad waardeert dat het kabinet de afgelopen jaren op diverse manieren in het primair onderwijs heeft geïnvesteerd. Zo is er extra geld gekomen voor lerarensalarissen en het aanpakken van werkdruk. Desondanks is er meer nodig om de grote problemen zoals het groeiende tekort aan personeel op te lossen, vindt de sectororganisatie voor het primair onderwijs.

Voor de zomer pleitte de PO-Raad voor een noodpakket van 423,5 miljoen euro. Daarmee kunnen het lerarentekort en werkdruk verder worden aangepakt. Prinsjesdag laat zien dat het kabinet deze urgentie niet onderkent. Het primair onderwijs profiteert namelijk niet van de meevaller van 1,5 miljard op de Rijksbegroting. Deze meevaller is echter een uitgelezen kans om dit achterstallige onderhoud verder weg te werken, aldus de PO-Raad.

Uit de Miljoenennota 2020:

Goed onderwijs op vroege leeftijd vormt een belangrijke basis voor je menselijke kapitaal. Wat kinderen op jonge leeftijd leren, zowel op het gebied van cognitieve als niet-cognitieve vaardigheden, is belangrijk; de hersenen van jonge kinderen kunnen zich nog gemakkelijker ontwikkelen. Wat je op jonge leeftijd leert, legt het fundament voor de vaardigheden en kennis die je later in het leven opdoet. Investeren in (jonge) kinderen levert vaak positieve effecten op, ook op de lange termijn, al hangt dat af van hoe programma’s voor vroeg- en voorschoolse educatie (vve) worden vormgegeven. In Nederland kunnen peuters en kleuters met een risico op een taal en/of ontwikkelachterstand in hun jonge jaren door middel van vve worden ondersteund. Hierdoor beginnen zij de basisschool niet met een (grote) achterstand. De programma’s richten zich op het verder ontwikkelen van de Nederlandse taal, maar ook op het stimuleren van belangrijke vaardigheden, zoals beginnend rekenen en sociaal-emotionele vaardigheden. De situatie in Nederland is wel voor verbetering vatbaar: de kwaliteit kan worden verhoogd, het opleidingsniveau van vve-medewerkers kan omhoog en kinderen kunnen meer uren volgen. Daarnaast wordt niet altijd de doelgroep bereikt: niet alle gemeenten hebben hun doelgroep goed in beeld en in een kwart van de gemeenten zijn niet genoeg plaatsen voor alle kinderen met een risico op een achterstand. In een aantal grote steden is het aantal aanmeldingen – juist bij kinderen met een risico op een achterstand – teruggelopen. Het kabinet benadrukt het belang van vve en heeft bij Regeerakkoord structureel 170 miljoen euro extra beschikbaar gesteld aan gemeenten en scholen, de partijen die verantwoordelijk zijn voor vve.

Kinderen met dezelfde capaciteiten krijgen niet altijd dezelfde kansen. Sinds het schooljaar 2014 ‒ 2015 is het toetsadvies dat volgt uit de eindtoets aanvullend op het schooladvies. Het dient daarmee als onafhankelijk tweede gegeven bij de toelating tot het voortgezet onderwijs. De toelating tot het voortgezet onderwijs is dus niet afhankelijk van de eindtoets; deze laatste wordt ook pas afgenomen nadat het schooladvies al is bepaald. Wel zijn scholen verplicht het schooladvies te heroverwegen wanneer het toetsadvies hoger is dan het schooladvies. Sinds het schooladvies een leidende positie heeft gekregen, zijn echter zorgen ontstaan over kansenongelijkheid. Leerlingen met hoger opgeleide ouders krijgen bij een gelijke toetsscore namelijk vaker hogere schooladviezen dan leerlingen met lager opgeleide ouders. Ook leerlingen in minder stedelijke gebieden krijgen vaker een lager schooladvies dan het toetsadvies en minder vaak een bijgesteld schooladvies.4 Deze verschillen leiden tot ongelijke kansen tussen deze groepen en mogelijk ook tot onbenut potentieel bij kinderen met laagopgeleide ouders en kinderen in minder stedelijke gebieden. Het kabinet heeft een aantal stappen gezet om deze ongelijkheid te beperken. Er wordt op dit moment gewerkt aan een wetsvoorstel met als inzet om vanaf het schooljaar 2021‒ 2022 de eindtoets te vervroegen, zodat deze direct na het schooladvies plaatsvindt. Ook is het voorstel om leerlingen pas met het definitieve schooladvies bij het voortgezet onderwijs in te laten schrijven. Daardoor kan het niet meer voorkomen dat er voor leerlingen met een bijgesteld advies geen plaats is op dat niveau in het voortgezet onderwijs.  

© 2019 Stichting PAS